Passende zorg voor het oude hart: Van doen wat kan, naar doen wat er toe doet

Dat was de titel van de Leidse Ouderengeneeskunde Dag, georganiseerd door LUMC Centrum voor Ouderengeneeskunde, die we met een vijftal leden van het Ouderenberaad ZHN bijwoonden op 30 oktober 2025. In de twaalf interessante presentaties door cardiologen, huisartsen en verpleegkundig specialisten kwamen onder andere de volgende onderwerpen ter sprake.

Passende zorg

Dat wil zeggen: bij elke behandeling rekening houden met de specifieke context en situatie van de individuele oudere patiënt Er werd zelfs voorgesteld niet te spreken van het oude hart, maar van de mens met het oude hart.

Wat passende zorg is, kan dus per patiënt verschillen, maar ook per categorie. Zo treden hartaandoeningen bij vrouwen vaak pas na de overgang op i.v.m. hormonen, en hebben ze vaak andere klachten. Een hartinfarct bij vrouwen heeft andere symptomen (vaak geen pijn op de borst) dan bij een man en dient dus ook anders gediagnostiseerd en behandeld te worden.

Van doen wat kan naar doen wat ertoe doet

Nieuwe technische ontwikkelingen kunnen voor oudere patiënten heel gunstig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de vervanging van een hartklep door een kunstklep. Dat hoeft niet altijd meer via een openhartoperatie, maar kan via een bloedvat, meestal in de lies, een veel minder belastende ingreep. Maar voor de oudste patiënt zal dat niet altijd leiden tot verbetering van de kwaliteit van leven.

Voor de oudste ouderen kán het verstandig zijn bloeddrukverlagende medicijnen (om het risico op hart- en vaatziekten te verlagen) i.v.m. de bijwerkingen niet te starten. Als er eenmaal gestart is kan het ermee stoppen moeilijk zijn en nadelen hebben, zoals uit verschillende studies blijkt.

Niet in het ziekenhuis, maar thuis of in verpleeghuis

Opname in het ziekenhuis kan voor ouderen erg belastend zijn. Zoals diverse sprekers aangaven, kan er dankzij allerlei (technische) innovaties steeds meer thuis, búiten het ziekenhuis. Een longecho voor een acuut benauwde kwetsbare oudere kan, na training, ook door een huisarts of verpleeghuisarts gemaakt worden. Vroege signalering van achteruitgang van acuut hartfalen kan in het virtuele hartfalenziekenhuis met behulp van telemonitoring thuis. Daarna kan multidisciplinaire thuisbehandeling (onder andere vochtafdrijvend infuus) plaatsvinden.

Belangrijk is dat er op basis van gesprekken duidelijke afspraken gemaakt worden voor de behandeling in het geval van een volgend incident.

Proactieve zorgplanning

De bijdragen over de best mogelijke zorg voor de oudere hartpatiënt werden aangevuld met een pleidooi voor proactieve zorgplanning (ook wel: advanced care planning).

Een oudere hartpatiënt gaat in het ziekenhuis vaak snel in conditie achteruit. Laten arts, oudere patiënt en diens naasten daarom bij hart- en vaatziekten bijtijds het gesprek aangaan over behandelwensen, en tot gezamenlijke besluitvorming komen (shared decision making). Verwezen werd naar de Richtlijn Proactieve zorgplanning van Palliaweb en het initiatief om in een gesprekskaart de behandelgrenzen en wensen vast te leggen.

Preventie

Diverse sprekers wezen op het belang van preventie. Bepaalde hartproblemen, bijvóórbeeld boezemfibrilleren, nemen toe bij 75+’ers, en dan vooral bij patiënten met overgewicht en diabetes. Er is ook een relatie met dementie (vasculair én Alzheimer). Dus alle reden om alert te zijn op leefstijlfactoren. Niet roken, zeer beperkt alcohol drinken, gezond eten, veel bewegen etc. Heel belangrijk zijn daarom initiatieven die onder andere door Buurtzorg worden georganiseerd in de wijk en met ‘Vitality Clubs’. Ook e-health kan bijdragen aan de gezondheid van ouderen en de druk op de zorg verlichten. Denk aan digitale stappentellers en bloeddrukmeters. Apps kunnen bij de oudere cardiologische patiënt het inzicht in zijn/haar leefstijl vergroten en de educatie, meedenken met de patiënt en onderlinge communicatie met de mantelzorg bevorderen. Zo kan het gebruik van e-health mogelijk helpen bij gedragsverandering.

 

Geschreven door: Angela Tuijp, lid Ouderenberaad en werkgroep Onderwijs en Onderzoek